Manon Ruijters, adviseur bij Twijnstra & Gudde, en lector in de ecologie van het leren, spreekt op het HvA-congres ‘Doorleren werkt’ (1 november 2011).
Eerste vraag: Wat is een – echte – professional? Er zijn drie dingen over te noemen:
- Het is iemand die in de klei staat met z’n voeten,
- iemand die is aangehaakt bij nieuwe kennis, en
- iemand die bijdraagt aan ontwikkeling van vak en vakgenoten
Tweede vraag: Hoe ziet dit leren eruit en hoe ziet zijn/haar ontwikkeling eruit?
Er zijn drie vormen van leren & ontwikkelen te onderscheiden (Praktiseren (die modder), Onderzoeken, en Creëren. En die drie moeten met elkaar in relatie staan. Dat is het bruggen bouwen: dan neem je even afstand en kom je tot reflectie.
Derde vraag: Wat is de manier van leren van professionals? Een belangrijk onderdeel van deze lezing: de vijf leervoorkeuren van professionals die Ruiijters & Simons onderscheiden (zie ook www.languageoflearning.net):
1. Kunst afkijken. Dat is in essentie goed kijken naar wat werkt en dat zelf toepassen.. Deze professionals zijn name geïnteresseerd in de succesvolle onderdelen: die worden overgenomen. Ze leren het meest als ze onder druk staan. Ze Het is een effectieve vorm voor cultuur overdracht en voor het leren van softskills. Je ziet deze leervoorkeur meer bij mensen naarmate je hoger in de organisatie komt: managers en bestuurders. vinden het praten erover niet prettig. Een klas vol van deze leerders ziet er saai uit: ze kunnen zelfs met een klassesituatie niet zo goed uit de voeten omdat dit te georganiseerd is en omdat er teveel over het leren wordt gepraat: daarvoor zijn ze allergisch. Het trainen is te organiseren door bv een bedrijfsbezoek, of, als er een aanleiding voor is, door een expert een presentatie te laten geven. Ven belang is dat je moet wachten totdat ze met een vraag komen. De vorm moet vooral niet voorgestructureerd worden.
2. Participeren. Hierbij staat het samen-leren centraal, uitwisselen van informatie, het hebben ven een gemeenschappelijk belang, vertrouwen in elkaar, gedeelde sturing. Het is een effectieve strategie om samen te werken, om vanuit meerdere perspectieven te kijken. Het wordt veel ingezet door: verpleging, P&O-mensen, hoogleraren (sparren), bestuurders. Grootste allergie voor deze leerders zijn mensen die zich onttrekken aan groepsproces.
3. Kennis verwerven. Het gaat bij deze professionals om objectieve informatie, die overigens niet per se via boeken wordt ‘geleerd’. Het is een vorm van expliciet en van doelgericht leren. Deze leerders leren graag van experts. Het is een effectieve strategie voor kennisintensieve vraagstukken. Het is een dominante leervoorkeur bij kennisintensieve beroepen zoals bij juristen, accountants, ICT. Deze leerders hebben een hekel aan brainstormen: ze willen eigenlijk eerst weten hoe het in elkaar steekt. De allergie van deze leerders: aannames, onbewezen stellingen.
4. Oefenen. Kenmerken van deze leervoorkeur: iets uit de echte wereld halen, veilig maken, uitproberen, onder begeleiding, herhaling. Deze strategie kom je natuurlijk veel tegen in het onderwijs. Het is een effectieve strategie voor het leren van nieuwe vaardigheden en voor leren leren. Waar deze leerders niet van houden is: in het diepe gooien. Wat je wel moet doen voor deze leerders is structuur aanbrengen.
5. Ontdekken. Kenmerken van deze leervoorkeur: erin springen, beetje eigenwijs, zelfsturend, nieuwsgierig. Eigen draai aan geven, ruimte en inspiratie, de energie volgen. De meeste professionals hebben ‘ontdekken’ als leervoorkeur. Het is een effectieve strategie om creativiteit aan te boren en om vernieuwing te realiseren. Veel gekozen door adviseurs en professionals. Allergie is structuur. Niet doen: kaderen, maar dat is vaak onvermijdelijk als je gezamenlijk tot creativiteit wilt komen.
Deze leervoorkeuren zijn relevant omdat het leren voor 80% op de werkplek geberut. Daarom kun je niet of minder goed uit de voeten met taxonomieën van Vermunt (gericht op schools leren) en Kolb (waarbij denken en doen tegenover elkaar staan)
Je eigen leerprofiel kennen is één ding, je moet ook het profiel van de ander snappen want er is vaak een allergische reactie. Daarbij zijn er nog meer lagen te onderscheiden. Bijvoorbeeld de dominante leervoorkeur van een team of een afdeling, of de leervoorkeur van een organisatie. Deze hangt af van de cultuur en van de wijze waarop het leren wordt georganiseerd. Tenslotte is het hanteren van een effectieve leervoorkeur ook – sterk – afhankelijk van de inhoud: waar vraagt de leerstofinhoud om? Waar sluit dit op aan?
Ruijters staat erop verschil aan te brengen tussen leren en ontwikkeling.
Leren = korte termijn, gaat over toevoegen, beheersen, verbinden. Ontwikkeling = lange termijn, gaat over talenten, eigenschappen, competenties. Ze stelt dat er meer aandacht moet komen voor professionele ontwikkeling. Dat is een samenspel van inhoudelijke en persoonlijke ontwikkeling waarbij jezelf én je omgeving verder komen. Om dit mogelijk te maken moet je bij de leerder zorgen voor autonomie, voldoende competentie en voldoende betrokkenheid.
In de workshop geeft Ruijters een nadere typering van de leervoorkeuren en heeft ze een gesprek met de deelnemers over twee extra leervoorkeuren die haar intrigeren:
- Imaginair leren (gebaseerd op het werk van Guy Claxton: Wise up): in je hoofd scenario’s afspelen en zo leren & ontdekken, inspiratie krijgen. Dit hoort thuis aan de ontwikkelkant van het continuüm leren vs. ontwikkelen .
- Intuïtief leren. Gebaseerd op het werk van Ap Dijksterhuis: Het slimme onbewuste. Serieus nemen van je lijf als bron van informatie. Niet alles van je kennis is onder woorden te brengen: tacit knowledge. Het lijf is de verbinding.
Over het vernieuwen van het hoger onderwijs waarbij technologie op een doordachte manier wordt ingezet
Posts tonen met het label HvA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label HvA. Alle posts tonen
woensdag 2 november 2011
maandag 30 mei 2011
Sociale media in het onderwijs, 30 mei 2011, HvA
Dinsdagmiddag 30 mei, Volkskrantgebouw, Amsterdam. Een studiemiddag over het gebruik van social media in het onderwijs, georganiseerd door medewerkers van de mediatheek. De wat warme zaal zit goed vol, ca. 70 personen. Wilma van den Brink, dagvoorzitter, leidt het onderwerp in. Hoe populair zijn de sociale media eigenlijk? Er komen wat cijfers in het beeld. Hieruit blijkt bv dat 91% van de personen in de leeftijdscategorie 16-25 jaar gebruik maakt van sociale netwerken. De rest zit een stuk lager. Dit werpt de vraag op of het inzetten ervan in het onderwijs relevant is. Daar circuleren genoeg ideeën over, maar , vraagt Wilma hardop af, hoe ziet de praktijk eruit? Er komen vanmiddag vier docenten aan het woord die het DOEN.
John van der Pas (Saxion Hogeschool) over Bloggende studenten
John past het middel weblog als middel toe bij het onderwijs aan zijn eerstejaars studenten. Het zijn studenten die een soort van informatica-opleiding volgen. Projectonderwijs is daar een veelgebruikte werkvorm. Daarnaast was er de wens om de ideeën vanuit het activerend onderwijs te gebruiken. Ter inspiratie diende ook wat literatuur over schrijfonderwijs: hoe begeleid je studenten die schrijfproducten maken.
De studenten kregen een groepsopdracht mee: vorm met vier studenten een redactie en schrijf dagelijkse een blogpost. Zo maken ze met elkaar kennis en leren ze – constructief – samen te werken. Maar het ging verder, ze moesten ook wekelijks een blogpost over een inhoudelijk onderwerp schrijven. Deze werd met name door de docent goed bekeken.
Johns formuleert zijn ‘lessons learned’ over het gebruik van deze werkvorm. Blogs zijn een goed middel om de kennis en inzichten van studenten te peilen. Ook de samenwerking blijkt goed uit de weblog, en dat op een dagelijkse basis. Een aardig neveneffect: de ‘branding’ van de opleiding krijgt een positieve stimulans: de hele wereld kijkt tenslotte mee. Enkele studenten omarmen het middel zelfs als hun ‘personal branding’.
Maar er zijn ook aandachtspunten. De docentbelasting bijvoorbeeld is hoog. Wekelijks feedback op de teksten geven is arbeidsintensief. Daarbij is transparantie een gegeven, en daar moet je je als docent goed bewust van zijn. Een voorbeeld: niet-presteerders moeten direct aangesproken worden want de anderen zien het ook als het lang duurt voordat de docent ingrijpt. Ook het leerproces is dus transparant! Tot slot: het gaat allemaal vlug. De cyclus is kort, dus je hebt dus niet heel veel tijd om bij te sturen.
John’s conclusie: blogging is als werkvorm geslaagd: kennis, vaardigheid en attitude komen bij elkaar, én met uitstraling naar buiten.
Albert Jan Bloemendal (HvA – DMR) over Facebook als leeromgeving
Albert Jan vertelt dat hij een vak heeft gegeven met titel ‘netwerken & social media’ voor ca. 26 studenten. Startvraag én onderwerp: hoe kun je de social media inzetten voor het werk waar je later in terecht komt (het gaat hier om de opleiding cultureel maatschappelijke vorming). Bij de start heeft een student een facebookgroep aangemaakt en het aantal interacties nam direct snel toe. Via links in facebookposts wees hij de studenten op allerlei interessante materialen. En ook studenten droegen zo – veel - materiaal aan. Er waren uiteraard ook contactmomenten. Die kon hij pas vlak van te voren voorbereiden omdat er steeds veel verkeer was op de facebookgroep. Albert Jan stelde elke week een vraag centraal. Bijvoorbeeld, wat is netwerken? Dat leidde tot input wat dan weer aanleiding was tot een stroom aan reacties. Zo ontstonden er online discussies. De resultaten daarvan nam hij mee naar het college waar hij de betreffende studenten om een reactie vroeg. Dit leidde tot een nieuwe vraag waar hij ze weer mee op pad stuurde. Studenten waren soms midden in de nacht bezig. En dat was de volgende dag te zien: kicken!
Hoe ga je dit toetsen en afsluiten? De studenten dachten zelf mee over die vraag en kwamen met het voorstel een flashmob te organiseren waarmee ze het journaal wilden halen. De flashmob is gehouden (op het centraal station) en ze hebben er Havanaweb mee gehaald. Albert Jan gaat binnenkort een gesprek voeren met de examencommissie over de vraag in hoeverre deze ‘toets’ aansluit op het door de studenten gevolgde onderwijs. Volgens Albert Jan hebben de studenten zelf een persoonlijke leerervaring gehad waarbij ze elk een verbinding met de toepassing in hun wereld hebben gemaakt.
De conclusies die Albert Jan de zaal meegeeft: weet zelf goed waar je heen wilt, weet waar je het over hebt, investeer (het kost veel tijd), durf concessies te doen (beweeg mee) en geef ruimte, zet je colleges (vooraf) online (via slideshare), wees pro-actief.
De hamvraag: deed iedereen mee? Het antwoord: ja en nee: iedereen was actief, maar er vielen er wel een paar af in het begin. Het mooiste is: ze zijn nog steeds actief in de groep te praten over dit onderwerp. Quote van een student: ik heb nog nooit voor een vak zo veel opgezocht als voor dit vak.
Paul Disco (HvA – DMCI) Twitter in de les
Paul is enthousiast over Twitter, dat wordt snel duidelijk. Hij vertelt over een experiment op een universiteit in de VS: een college met, en een college zonder social media. De resultaten zijn met elkaar vergeleken en, gelukkig, de social media gebruikers deden het beter. Waarschijnlijk omdat studenten die geen vragen in een groep durven te stellen, via social media wel actief meedoen: hogere betrokkenheid in het algemeen dus.
Paul somt de gebruiksmogelijkheden op van Twitter in een leersituatie:
- feedback krijgen via een stemming (twitterpoll),
- vragen stellen tijdens de les,
- voorkennis activeren door informatie over een case via twitter aan studenten te sturen,
- tentamenstress verminderen door een dag ervoor via twitter beschikbaar te zijn voor vragen (de rest kijkt mee en pikt er ook veel van op. Paul vermeldt hierover dat studenten een hoger cijfer haalden dan een studentengroep die deze mogelijkheid niet hadden.
- verspreiden van informatie, bv over stageplekken, onder studenten.
De gouden regel van Paul: Twitter: doe het als het goed voelt, en anders komt het wel. Of niet. En dat geldt ook voor LinkedIn.
Maar… heeft elke student dan een twitteraccount? Volgens Paul, die dat regelmatig vraagt aan de studenten, heeft nu 80% van hen een Twitter-account. 2 jaar geleden was het 20%, dus het groeit behoorlijk door.
Sumit Mehra (HvA – DMR) over wiki’s en co-creatie (n.a.v. een psychologie-wiki bij de UvA)
Sumit, nu HvA maar eerder werkzaam op de UvA bij psychologie, vertelt dat activerend onderwijs een aanleiding vormde om naar wiki’s te krijgen. Wiki = samen schrijven = co-creatie = actief de stof verwerken. Dat is in het kort de rationale. Daarbij komt dat de openbaarheid ervan stimulerend werkt. Dat kwam ook bij de andere prestaties naar voren. En in een wiki kun je zien wat de bijdrage is van een individu: dat is handig voor het onderwijs.
Let op, in dit onderwijs gaat het over grote aantallen studenten, ca. 450. Die werden verdeeld in werkgroepjes, en daarbinnen in subgroepen van 3 a 4 studenten die een wikipagina maakte over een onderwerp. Zo ontstond er in no-time een wiki van 120 onderwerpen die met elkaar samenhingen: een groot naslagwerk met de stof voor het tentamen
En, werkt het? Het bleek dat de informatie in de wiki van goede kwaliteit was. Uit de studentenevaluatie valt op dat studenten de opdracht met de wiki leerzaam vonden. Uit de statistieken bleek dat de wiki veel geraadpleegd is voor het tentamen. Conclusie. Het is zeker een actieve werkvorm die met succes wordt gebruikt.
Tot zover het verslag
Zijn deze resultaten nu aanleiding om verder te gaan op deze weg? Dat lijkt me wel: deze experimenten laten zien dat studenten actief meedoen en veel leren. Let er wel op dat in minstens twee van de vier cases het middel (social media) ook leerstofonderwerp is. De vraag kwam dan ook: welk middel moet je nu inzetten? En daar kwam een adequaat antwoord op. Het hangt af van je leerdoel en van de leerstof die je aanbiedt: daar moet het goed bij aansluiten. Daar sluit ik me bij aan, en ik weet me in het gezelschap van Mishra en Koehler die hier een mooi conceptueel model voor hebben gemaakt.
John van der Pas (Saxion Hogeschool) over Bloggende studenten
John past het middel weblog als middel toe bij het onderwijs aan zijn eerstejaars studenten. Het zijn studenten die een soort van informatica-opleiding volgen. Projectonderwijs is daar een veelgebruikte werkvorm. Daarnaast was er de wens om de ideeën vanuit het activerend onderwijs te gebruiken. Ter inspiratie diende ook wat literatuur over schrijfonderwijs: hoe begeleid je studenten die schrijfproducten maken.
De studenten kregen een groepsopdracht mee: vorm met vier studenten een redactie en schrijf dagelijkse een blogpost. Zo maken ze met elkaar kennis en leren ze – constructief – samen te werken. Maar het ging verder, ze moesten ook wekelijks een blogpost over een inhoudelijk onderwerp schrijven. Deze werd met name door de docent goed bekeken.
Johns formuleert zijn ‘lessons learned’ over het gebruik van deze werkvorm. Blogs zijn een goed middel om de kennis en inzichten van studenten te peilen. Ook de samenwerking blijkt goed uit de weblog, en dat op een dagelijkse basis. Een aardig neveneffect: de ‘branding’ van de opleiding krijgt een positieve stimulans: de hele wereld kijkt tenslotte mee. Enkele studenten omarmen het middel zelfs als hun ‘personal branding’.
Maar er zijn ook aandachtspunten. De docentbelasting bijvoorbeeld is hoog. Wekelijks feedback op de teksten geven is arbeidsintensief. Daarbij is transparantie een gegeven, en daar moet je je als docent goed bewust van zijn. Een voorbeeld: niet-presteerders moeten direct aangesproken worden want de anderen zien het ook als het lang duurt voordat de docent ingrijpt. Ook het leerproces is dus transparant! Tot slot: het gaat allemaal vlug. De cyclus is kort, dus je hebt dus niet heel veel tijd om bij te sturen.
John’s conclusie: blogging is als werkvorm geslaagd: kennis, vaardigheid en attitude komen bij elkaar, én met uitstraling naar buiten.
Albert Jan Bloemendal (HvA – DMR) over Facebook als leeromgeving
Albert Jan vertelt dat hij een vak heeft gegeven met titel ‘netwerken & social media’ voor ca. 26 studenten. Startvraag én onderwerp: hoe kun je de social media inzetten voor het werk waar je later in terecht komt (het gaat hier om de opleiding cultureel maatschappelijke vorming). Bij de start heeft een student een facebookgroep aangemaakt en het aantal interacties nam direct snel toe. Via links in facebookposts wees hij de studenten op allerlei interessante materialen. En ook studenten droegen zo – veel - materiaal aan. Er waren uiteraard ook contactmomenten. Die kon hij pas vlak van te voren voorbereiden omdat er steeds veel verkeer was op de facebookgroep. Albert Jan stelde elke week een vraag centraal. Bijvoorbeeld, wat is netwerken? Dat leidde tot input wat dan weer aanleiding was tot een stroom aan reacties. Zo ontstonden er online discussies. De resultaten daarvan nam hij mee naar het college waar hij de betreffende studenten om een reactie vroeg. Dit leidde tot een nieuwe vraag waar hij ze weer mee op pad stuurde. Studenten waren soms midden in de nacht bezig. En dat was de volgende dag te zien: kicken!
Hoe ga je dit toetsen en afsluiten? De studenten dachten zelf mee over die vraag en kwamen met het voorstel een flashmob te organiseren waarmee ze het journaal wilden halen. De flashmob is gehouden (op het centraal station) en ze hebben er Havanaweb mee gehaald. Albert Jan gaat binnenkort een gesprek voeren met de examencommissie over de vraag in hoeverre deze ‘toets’ aansluit op het door de studenten gevolgde onderwijs. Volgens Albert Jan hebben de studenten zelf een persoonlijke leerervaring gehad waarbij ze elk een verbinding met de toepassing in hun wereld hebben gemaakt.
De conclusies die Albert Jan de zaal meegeeft: weet zelf goed waar je heen wilt, weet waar je het over hebt, investeer (het kost veel tijd), durf concessies te doen (beweeg mee) en geef ruimte, zet je colleges (vooraf) online (via slideshare), wees pro-actief.
De hamvraag: deed iedereen mee? Het antwoord: ja en nee: iedereen was actief, maar er vielen er wel een paar af in het begin. Het mooiste is: ze zijn nog steeds actief in de groep te praten over dit onderwerp. Quote van een student: ik heb nog nooit voor een vak zo veel opgezocht als voor dit vak.
Paul Disco (HvA – DMCI) Twitter in de les
Paul is enthousiast over Twitter, dat wordt snel duidelijk. Hij vertelt over een experiment op een universiteit in de VS: een college met, en een college zonder social media. De resultaten zijn met elkaar vergeleken en, gelukkig, de social media gebruikers deden het beter. Waarschijnlijk omdat studenten die geen vragen in een groep durven te stellen, via social media wel actief meedoen: hogere betrokkenheid in het algemeen dus.
Paul somt de gebruiksmogelijkheden op van Twitter in een leersituatie:
- feedback krijgen via een stemming (twitterpoll),
- vragen stellen tijdens de les,
- voorkennis activeren door informatie over een case via twitter aan studenten te sturen,
- tentamenstress verminderen door een dag ervoor via twitter beschikbaar te zijn voor vragen (de rest kijkt mee en pikt er ook veel van op. Paul vermeldt hierover dat studenten een hoger cijfer haalden dan een studentengroep die deze mogelijkheid niet hadden.
- verspreiden van informatie, bv over stageplekken, onder studenten.
De gouden regel van Paul: Twitter: doe het als het goed voelt, en anders komt het wel. Of niet. En dat geldt ook voor LinkedIn.
Maar… heeft elke student dan een twitteraccount? Volgens Paul, die dat regelmatig vraagt aan de studenten, heeft nu 80% van hen een Twitter-account. 2 jaar geleden was het 20%, dus het groeit behoorlijk door.
Sumit Mehra (HvA – DMR) over wiki’s en co-creatie (n.a.v. een psychologie-wiki bij de UvA)
Sumit, nu HvA maar eerder werkzaam op de UvA bij psychologie, vertelt dat activerend onderwijs een aanleiding vormde om naar wiki’s te krijgen. Wiki = samen schrijven = co-creatie = actief de stof verwerken. Dat is in het kort de rationale. Daarbij komt dat de openbaarheid ervan stimulerend werkt. Dat kwam ook bij de andere prestaties naar voren. En in een wiki kun je zien wat de bijdrage is van een individu: dat is handig voor het onderwijs.
Let op, in dit onderwijs gaat het over grote aantallen studenten, ca. 450. Die werden verdeeld in werkgroepjes, en daarbinnen in subgroepen van 3 a 4 studenten die een wikipagina maakte over een onderwerp. Zo ontstond er in no-time een wiki van 120 onderwerpen die met elkaar samenhingen: een groot naslagwerk met de stof voor het tentamen
En, werkt het? Het bleek dat de informatie in de wiki van goede kwaliteit was. Uit de studentenevaluatie valt op dat studenten de opdracht met de wiki leerzaam vonden. Uit de statistieken bleek dat de wiki veel geraadpleegd is voor het tentamen. Conclusie. Het is zeker een actieve werkvorm die met succes wordt gebruikt.
Tot zover het verslag
Zijn deze resultaten nu aanleiding om verder te gaan op deze weg? Dat lijkt me wel: deze experimenten laten zien dat studenten actief meedoen en veel leren. Let er wel op dat in minstens twee van de vier cases het middel (social media) ook leerstofonderwerp is. De vraag kwam dan ook: welk middel moet je nu inzetten? En daar kwam een adequaat antwoord op. Het hangt af van je leerdoel en van de leerstof die je aanbiedt: daar moet het goed bij aansluiten. Daar sluit ik me bij aan, en ik weet me in het gezelschap van Mishra en Koehler die hier een mooi conceptueel model voor hebben gemaakt.
dinsdag 19 april 2011
HvA-DLWO-bijeenkomst 18 april
Deze middag is de bedoeld om een toelichting te krijgen op het programma DLWO. Dat programma wil, in grote lijnen, een verbetering van de dagelijkse werkpraktijk realiseren. Het gaat hier om de praktijk van het leren en werken op de HvA.
Edward Zijlstra, programmanager DLWO, licht de achtergrond toe. In het kort gezegd gaat het om een bundeling van functionaliteiten in één systeem. Hij haalt Joke Drost aan die heeft geformuleerd dat een DLWO, zoals deze, drie interactiepatronen faciliteert:
1. het proces van leren
2. de communicatie die nodig is voor het leren, en
3. de organisatie van het leren
Hierna gaat hij in op het programmaplan Onderwijsuitvoering 2010-2015. Daaruit blijkt de samenhang in het gehele programma. Hij benadrukt dat er een zekere georganiseerdheid in een domein nodig is m.b.t. het gebruik en beheer. Verder beschrijft hij een zogenaamde plateau-indeling: een soort van fasenplan. In eerste instantie (plateau 1) wordt een basisinrichting gerealiseerd, inclusief een zogenaamde appstore. Daarna wordt er gewerkt aan plateau 2, zijnde de integratie met bronsystemen. Tot slot: plateau 3: doorontwikkeling
Aan het einde van zijn spreektijd loopt hij een aantal succesfactoren langs zoals: overtuiging bij stakeholders, dialoog tussen stakeholders, professionalisering, organisatie etc.
Gerard Blijker is samen met Sander Steeman de centraal functioneel beheerders van de DLWO. Gerard vertelt dat de DLWO wordt gerealiseerd m.b.v. sharepoint 2010, lekker modern. De omgeving is gepersonaliseerd: dat betekent dat je je bijvoorbeeld kunt abonneren op mededelingen van de vakken die je wilt ‘volgen’. Andere zaken krijg je dan als student niet te zien. Elk vak heeft zijn eigen site waar informatie over dat vak is te zien: mededelingen, lesmaterialen, discussiefora, webconferencing, een dropbox (plek om huiswerk in te leveren) etc. Ander vak? Dan een ietwat andere indeling. De dropbox kun je koppelen aan Ephorus, handig. Elke opleiding of elk vak, kan ook een teamsite voor docenten inrichten. Hij merkt tot slot op: deze DLWO is geen ELO. Er zitten bijvoorbeeld geen toetsen in, en het is niet mogelijk om leerpaden te maken.
Michael Broomhead docent in het domein Techniek die al met de DLWO heeft gewerkt, krijgt het woord. Het gaat hier om een – kleine - deeltijdopleiding. Hij heeft de DLWO toegepast, specifiek, de volgende twee onderdelen:
1. discussiefora. Hiermee gaf hij gerichte feedback op het werk van de student.
2. Webconferencing. Hierbij gaf hij extra uitleg adhv een probleem waarvan eerder duidelijk was geworden dat het een gemeenschappelijk probleem is.
Hij licht beide duidelijk toe a.d.h.v. studentenmateriaal uit zijn lessen. Het is indrukwekkend om te zien hoe hij de webconferencing tool heeft gebruikt. Overigens zonder webcam! Hij gebruikte daarbij vooral het whiteboard om zijn verhaal toe te lichten. De studenten konden vragen stellen, m.n. via de chat. Hij licht toe dat het bij een tweede groep studenten minder goed werkte. Daar zat niet een student bij die aanstuurde op gebruik. Opvallend dat het kennelijk deels het initiatief van de studenten is om gebruik te maken van deze functionaliteiten. Uit de zaal wordt opgemerkt dat deze vorm van begeleiding ook door ouderejaars studenten gedaan kan worden: goede suggestie!
De opleiding heeft tot de ambitie om de gebruikte leerstof in een wiki te plaatsen. En om hierbij oefenopgaven te maken met een soort van leerpad bij geconstateerde fouten (dit is overigens geen standaard sharepoint functionaliteit).
Gijsbert van den Brink, student HRM, arbeidsrecht, via SURFgroepen geeft een presentatie. Hij doet dat – in eerste instantie - via de webconferencingtool van de DLWO: we kunnen hem zien en horen, inclusief zijn presentatie, waarbij hij zelf zich elders op de HvA bevindt. Dat blijkt de gang te zijn, want na een paar minuten loopt hij binnen en concludeert hij dat deze functionaliteit in deze situatie niet tot zijn recht komt. Later in zijn verhaal vertelt hij hoe hij en zijn mede-studenten regelmatig via de webconferencing-tool met elkaar contact hadden en dat dit tientallen uren aan reistijd heeft bespaard. Ook het documentbeheer vindt hij veel praktischer. Kortom; deze student vindt de ‘service’ van DLWO geweldig. Hij weet toch ook een paar nadelen te benoemen. Docenten reageerden soms een beetje traag: die bleven zitten wachten bij de mail. Ook de studenten zelf waren niet allemaal zo heel erg NETgeneratie.
We zijn toe aan de wrap up. Robbert Bosch haalt een paar reacties aan die via postits gegeven zijn in de pauze.
Een leest een paar kansen voor vanaf de postists:
• Studenten kunnen zich beter voorbereiden op practicum en tentamen
• studenten een rol geven bij ontwikkeling van apps
Hij somt de volgende zorgen op die ingebracht zijn:
• studenten moeten voorgelicht worden: bij niet goed gebruik mist de student informatie
• hoe zorg je voor overleg tussen domeinen
• hoe betrek je docenten en studenten
• hoe benut je de didactische mogelijkheden –beter – uit
• goed nadenken over ondersteuning voor studenten en docenten
Er ontstaat een gesprek over onder meer de volgende onderwerpen:
• waar ligt de grens tussen deze HvA-tool en de buitenwereld.
• Het leren is 24/7. De ondersteuning niet: dat is te duur. Wat is hier haalbaar?
• Hoe autonoom zijn de domeinen: wat is hier wenselijk? Kunnen ze zelf keuzen maken?
Reageer op de stelling ‘Digitaal leren en werken verbetert de kwaliteit van ons onderwijs’
Edward Zijlstra, programmanager DLWO, licht de achtergrond toe. In het kort gezegd gaat het om een bundeling van functionaliteiten in één systeem. Hij haalt Joke Drost aan die heeft geformuleerd dat een DLWO, zoals deze, drie interactiepatronen faciliteert:
1. het proces van leren
2. de communicatie die nodig is voor het leren, en
3. de organisatie van het leren
Hierna gaat hij in op het programmaplan Onderwijsuitvoering 2010-2015. Daaruit blijkt de samenhang in het gehele programma. Hij benadrukt dat er een zekere georganiseerdheid in een domein nodig is m.b.t. het gebruik en beheer. Verder beschrijft hij een zogenaamde plateau-indeling: een soort van fasenplan. In eerste instantie (plateau 1) wordt een basisinrichting gerealiseerd, inclusief een zogenaamde appstore. Daarna wordt er gewerkt aan plateau 2, zijnde de integratie met bronsystemen. Tot slot: plateau 3: doorontwikkeling
Aan het einde van zijn spreektijd loopt hij een aantal succesfactoren langs zoals: overtuiging bij stakeholders, dialoog tussen stakeholders, professionalisering, organisatie etc.
Gerard Blijker is samen met Sander Steeman de centraal functioneel beheerders van de DLWO. Gerard vertelt dat de DLWO wordt gerealiseerd m.b.v. sharepoint 2010, lekker modern. De omgeving is gepersonaliseerd: dat betekent dat je je bijvoorbeeld kunt abonneren op mededelingen van de vakken die je wilt ‘volgen’. Andere zaken krijg je dan als student niet te zien. Elk vak heeft zijn eigen site waar informatie over dat vak is te zien: mededelingen, lesmaterialen, discussiefora, webconferencing, een dropbox (plek om huiswerk in te leveren) etc. Ander vak? Dan een ietwat andere indeling. De dropbox kun je koppelen aan Ephorus, handig. Elke opleiding of elk vak, kan ook een teamsite voor docenten inrichten. Hij merkt tot slot op: deze DLWO is geen ELO. Er zitten bijvoorbeeld geen toetsen in, en het is niet mogelijk om leerpaden te maken.
Michael Broomhead docent in het domein Techniek die al met de DLWO heeft gewerkt, krijgt het woord. Het gaat hier om een – kleine - deeltijdopleiding. Hij heeft de DLWO toegepast, specifiek, de volgende twee onderdelen:
1. discussiefora. Hiermee gaf hij gerichte feedback op het werk van de student.
2. Webconferencing. Hierbij gaf hij extra uitleg adhv een probleem waarvan eerder duidelijk was geworden dat het een gemeenschappelijk probleem is.
Hij licht beide duidelijk toe a.d.h.v. studentenmateriaal uit zijn lessen. Het is indrukwekkend om te zien hoe hij de webconferencing tool heeft gebruikt. Overigens zonder webcam! Hij gebruikte daarbij vooral het whiteboard om zijn verhaal toe te lichten. De studenten konden vragen stellen, m.n. via de chat. Hij licht toe dat het bij een tweede groep studenten minder goed werkte. Daar zat niet een student bij die aanstuurde op gebruik. Opvallend dat het kennelijk deels het initiatief van de studenten is om gebruik te maken van deze functionaliteiten. Uit de zaal wordt opgemerkt dat deze vorm van begeleiding ook door ouderejaars studenten gedaan kan worden: goede suggestie!
De opleiding heeft tot de ambitie om de gebruikte leerstof in een wiki te plaatsen. En om hierbij oefenopgaven te maken met een soort van leerpad bij geconstateerde fouten (dit is overigens geen standaard sharepoint functionaliteit).
Gijsbert van den Brink, student HRM, arbeidsrecht, via SURFgroepen geeft een presentatie. Hij doet dat – in eerste instantie - via de webconferencingtool van de DLWO: we kunnen hem zien en horen, inclusief zijn presentatie, waarbij hij zelf zich elders op de HvA bevindt. Dat blijkt de gang te zijn, want na een paar minuten loopt hij binnen en concludeert hij dat deze functionaliteit in deze situatie niet tot zijn recht komt. Later in zijn verhaal vertelt hij hoe hij en zijn mede-studenten regelmatig via de webconferencing-tool met elkaar contact hadden en dat dit tientallen uren aan reistijd heeft bespaard. Ook het documentbeheer vindt hij veel praktischer. Kortom; deze student vindt de ‘service’ van DLWO geweldig. Hij weet toch ook een paar nadelen te benoemen. Docenten reageerden soms een beetje traag: die bleven zitten wachten bij de mail. Ook de studenten zelf waren niet allemaal zo heel erg NETgeneratie.
We zijn toe aan de wrap up. Robbert Bosch haalt een paar reacties aan die via postits gegeven zijn in de pauze.
Een leest een paar kansen voor vanaf de postists:
• Studenten kunnen zich beter voorbereiden op practicum en tentamen
• studenten een rol geven bij ontwikkeling van apps
Hij somt de volgende zorgen op die ingebracht zijn:
• studenten moeten voorgelicht worden: bij niet goed gebruik mist de student informatie
• hoe zorg je voor overleg tussen domeinen
• hoe betrek je docenten en studenten
• hoe benut je de didactische mogelijkheden –beter – uit
• goed nadenken over ondersteuning voor studenten en docenten
Er ontstaat een gesprek over onder meer de volgende onderwerpen:
• waar ligt de grens tussen deze HvA-tool en de buitenwereld.
• Het leren is 24/7. De ondersteuning niet: dat is te duur. Wat is hier haalbaar?
• Hoe autonoom zijn de domeinen: wat is hier wenselijk? Kunnen ze zelf keuzen maken?
Reageer op de stelling ‘Digitaal leren en werken verbetert de kwaliteit van ons onderwijs’
Abonneren op:
Posts (Atom)