donderdag 10 november 2011

OWD 201: Bas Haring: filosoof en hoogleraar ‘publiek begrip van de wetenschap’ Universiteit Leiden

Haring noemt zichzelf een volksfilosoof, een verhalenverteller die kwartjes doorgeeft in de hoop dat ze vallen.
De eerste reflectie, de meest optimistische van de drie, in de vorm van een anekdote. Haring moest een interview geven bij radiozender Lijn 5, een hiphop-zendder. Hij voelde zich er steeds ongemakkelijker onder toen hij wachtte op zijn beurt, want het leek hem dat de radiopresentator geen bal verstand had van de inhoud van zijn boekje. Wat schetst zijn verbazing dat de radiopresentator, die het gesprek leidde van de hoed en de rand leek te weten. Naderhand bleek dat deze man zich via achterflap, een bondige Youtube-filmpje en een samenvatting van een internetartikel een beeld had gevormd. Een bijzondere leerstrategie vond Haring. Op basis van die observatie houdt hij de zaal voor dat het fragmentarische, grillige, terloopse leren een vlucht gaat nemen, en dat de ICT dat leerproces ondersteunt. Willen we dat? Op basis van deze en andere observaties voorspelt Haring dat ICT-systemen ons gaan helpen dat we losse brokjes informatie creëren, en dat ICT-systemen die verspreiden. Informatie op je computer hoef je ook niet meer te ordenen: dat doen computers voor je. Althans, die zoeken het snel terug. Terugzoeken gaat sneller dan ordenen en structureren.
De tweede reflectie, een negatieve. Haring vertelt een mooi verhaal met moraal: je komt soms tot creatieve unieke dingen, juist zonder kennis te nemen van de ideeën van anderen. Dit is in overeenstemming met de evolutietheorie: unieke dieren leven op afgesloten plekken. Contacten leiden tot minder soorten. Dus… door goed naar elkaar te luisteren neemt de rijkheid aan ideeën af.
Derde reflectie, een hoopvolle. Kinderen krijgen nu in het onderwijs het beeld dat ze computers moeten leren bedienen, niet om computers te gebruiken. En dat laatste is zoveel prettiger: dat jij de computer leert om precies dat te doen wat jij wilt. Jonge mensen kunnen ICT goed inschakelen om onderzoek te doen. Hij illustreert dit aan de hand van de onderzoeksvraag: houden kinderen van de Kerstman. Dat is ook op te lossen door foto’s van kinderen die op schoot bij de kerstman zitten, zoals je die in FLickr kunt vinden, te analyseren. Een mooi voorbeeld van hoe je bestaande data kunt gebruiken. Daar hoef je niet heel slim voor te zijn, of te hebben doorgeleerd: je gebruikt wat er al beschikbaar is op een creatieve manier.
Samenvattend:
- Fragmentarisch en grillig leren gaat – straks – ondersteund worden door ICT.
- De vrees dat de ideeënrijkdom van de mensen afneemt omdat er veel contact is.
- De hoop dat men ICT, op een creatieve manier, onderzoek gaat ondersteunen.

OWD 2011: De digitale leerlijn: de docent e competent

Het verhaal van het Nova college, een ROC. De ondersteuning is daar prima in orde. Maar het ROC wil meer en ze hebben een digitale leerlijn opgezet: scholing dus. En ze staan hier op de Onderwijsdagen omdat deze leerling is gemaakt in Wikiwijs. Dat betekent dat iedereen, elke organisatie, dit materiaal kan hergebruiken, al dan niet na aanpassing. Geweldig!
Hoe werkt het? De docent, die een scholingsvraag heeft, vraagt begeleiding m.b.v. een intakeformulier. In Wikiwijs zoekt deze persoon een arrangement op, neemt daarna deel aan een plenaire sessie. Daarna zijn er opdrachten en krijgt d medewerkers begeleiding op afstand. Aan het eind is er een beoordeling en wordt, na goedkeuring, een certificaat uitgedeeld.
Er ontstaat discussie in de zaal over het startpunt: een docent die zich meldt met een scholingsvraag: dat is een bijzondere situatie. De presentatoren melden dat medewerkers er ook in hun functioneringsgesprekken bij worden bepaald.
Op welk soort competenties hebben ze zich gebaseerd? Jaaa, de Kennisbasis ICT. Daar heeft de werkgroep digivaardigheden HvA haar werk ook op gebaseerd.
Het materiaal in Wikiwijs is te vinden via: http://maken.wikiwijs.nl/28590 (of zoeken binnen Wikiwijs op trefwoord dlnova). Iedereen gaat nu kijken. Je moet even de structuur doorkrijgen, maar dan is het best overzichtelijk. En hoe zit het didactische in elkaar? Het materiaal is nu geordend naar de structuur van de kennisbasis. Het materiaal is dus los van context. Via voorbeelden wordt de link met context wel gemaakt. Maar het blijft lastig.. een leervraag van een docent begint niet bij een tool.

OWD 2011: Creative labs – Frank Kresin (waagsociety)

Design Thinking: begin iets te maken, een tekening, een sketch, een model, want dat proces helpt je om erover door te denken. Design Thinking (DT) is – samenvattend - mensgericht, is gericht op handelen, en is interdisciplinair. Een creatief lab is een werkruimte waarin je hieraan kunt werken. Een voorbeeld is het Fablab bij de Waag society. Hier staan machines die voor een individu te duur zijn en die hier wel staan en door verschillende personen gebruikt kunnen worden. In heel Nederland zijn dergelijke labs. OP de hogeschool Utrecht is bijvoorbeeld een Concept Space. En op de Universiteit Twente is de T-change. Die laatste is op serious gaming gericht. En zo zijn er nog veel meer.
Als je naar al die labs kikt, dan komen er een paar dingen bovendrijven
- De omgeving, o.m. de aankleding, stimuleert de creativiteit
- Verschillende disciplines komen er bij elkaar, en er komt samenwerking tot stand
- Denken door te maken, testen, aanpassen, opnieuw testen
- Vroeg in het proces wordt er al gevisualiseerd
En veel is er niet voor nodig: Post its zijn bv al een heeeel nuttig middel. Maar om het goed te doen heb je ook zogenaamde facilitatoren nodig. Er is zelfs en methode met onderscheiden stappen en werkvormen daarbij. De titel: Design Thinking. Ook een leuk idee: het business model canvas. Hierbij maak je tekeningentjes rond 10 vakken met vaste titels. Dit helpt bij het doordenken van de business case. En tenslotte is er de methode ‘users as designers’, ontwikkeld door de Waagsociety.
Wat heb je eraan? Kresin vertelt dat er nieuwe concepten zijn bedacht waarbij er een aantal tot prototypen zijn gekomen. Er zijn businessplannen gemaakt en er zijn zelfs producten gemaakt.
En wat is nu de link met onderwijs? Volgens Kresin: samenwerken, brainstormen, ontwerpen, bouwen, onderzoeken, verkopen. En inderdaad: om bv. met elkaar te vergaderignen, bijna altijd mondeling, en te gaan praten heeft als risico dat iedereen z’n eigen ideeën creëert in zijn/haar hoofd. Een verslag, dat de volgende keer wordt doorgenomen is de meest genomen maatregel daartegen. Maar ga nu eens met kaartjes aan de slag, een brainstorm met concepten, illustraties: iedereen komt dan op één lijn te liggen. En het geeft nieuwe energie om met visuele en/of tastbare objecten te werken. Absoluut inzichtelijk.

Learning Analytics

Lezingen op de Onderwijsdagen 2011
1. Erik Duval, hoogleraar computerwetenschappen – Katholieke Universiteit Leuven. Titel: Learning with open eyes: The role of learning analytics
2. Presentatie John Doove, SURF-projectmanager over ondermeer de innovatieregeling Learning Analytics

Om ‘het probleem’ duidelijk te maken introduceert Duval de Mooc: een massive online open course. Hij heeft een mooc die door 2500 studenten wordt gevolgd. De vraag dringt zich dan op hoe je hier zicht op houdt. Enter the learning analytics (LA). Terzijde: al vanaf 12 studenten kun je overwegen LA te gebruiken. Het concept legt Duval uit aan de hand van een programma als Runkeeper: die houdt een renner aan het rennen door feedback te geven o.b.v zijn/haar renprestaties. Runkeeper koppelt je ook aan andere renners met een soortgelijk (ren-)profiel. Er bestaan soortgelijke programma’s die je laptop gebruik monitoren en je aan het einde van de dag een spiegel voorhouden van wat je hebt gedaan. Dan kun je ook doelen stellen: ik wil maximaal een uur mailen. Het programma gaat je dan waarschuwen als je bij die zelf ingestelde limiet komt. Het helpt je je eigen belofte te houden. Je kunt hierin heerlijk doorschieten: quantified Self: je monitort dan ALLES wat je doet in 24 uur. En sommigen zetten dat dan ook nog online. Met wie je spreekt, wat je eet.. om greep te krijgen op je leven. Nouja.
De overstap naar LA: wat is de efficiëntie en effectiviteit van het leren van studenten? Daar kan LA een rol in spelen. Duval presenteert de app Streamy: een leerdashboard die aangeeft, o.b.v. je eigen instellingen, in hoeverre je op schema ligt. Alle informatie daarover komt samen in één wijzer die loopt van niet op schema, tot goed op schema. Ze zijn ook als widget te gebruiken. De docent kan per groep een widget samenstellen en zo monitoren hoe het met hun vorderingen staat.
Werkt het nu? Helpt het de docent bij zijn taak? Duval meldt dat de respondenten heel positief zijn. Zowel docenten als studenten hebben een beter idee van wat er gebeurt.
Duval stelt ook een belangrijke aspect aan de orde: wat ga je eigenlijk meten? Wat zijn eigenlijk de goede knopjes als we het over leren hebben. Je gaat natuurlijk de tijdsbesteding meten, maar is een hoge tijdsbesteding nu goed of slecht? Waar ligt een grens? En hoe zit het met privacy? Je kunt hier niet alles onder privacy laten vallen en dus tegenhouden. Bij de doktoer zeg je ook niet meteen: dat is privé. Privacy hangt samen met het doel dat je nastreeft: het is niet iets wat absoluut is. Dat geldt ook voor LA. Maar uiteindelijk is er geen enkele reden om er niet mee te gaan experimenteren. We willen het tenslotte morgen beter doen.

In de eerste workshopronde gaat John Doove, medewerk van SURF, door op het onderwerp Learning Analytics. Doove meldt dat het over vier tot vijf jaar een volwassen tool is, aldus het Horizon Report 2001 van Educause. Dan is de exacte leerbehoefte van de student ermee te identificeren.
Doove laat een stoplichtentool zien van Perdue university. LA is nu in de fase dat er een analyse van gegevens gemaakt kan worden die laat zien hoe de vlag erbij hangt. Signaleren dus. Het is nog te vroeg om daar valide conclusies uit af te leiden.
N.a.v. twee getoonde voorbeelden ontstaat er een discussie. De stelling die wordt geformuleerd, luidt: door kwantitatieve informatie te verzamelen kun je toch geen beeld van de kwaliteit van het leren? Voorstanders betogen dat je de student wel een signaal kunt afgeven, het is een middel.
Nog een dilemma: is de informatiehuishouding van een instelling voldoende op orde om dergelijke data te genereren? Je moet daarbij ook nog eens data gaan koppelen.
En nog een dilemma: hoe moet je de data interpreteren? Je moet een grafische weergave geven.
De valkuil: verwissel correlatie niet met causaliteit. Je ziet een relatie, maar je weet daarmee nog niet hoe oorzaak-gevolg ligt.
Doove introduceert (en lanceert!) de innovatieregeling Learning Analytics. Het gaat om kleinschalige projecten met korte looptijd (6 maanden) en klein budget (projectbudget € 10.000,- waarvan 50% door instelling moet worden gematcht). Doel ervan is te onderzoeken wat werkt en wat niet. SURF hoopt hiermee good-practices te verzamelen. Dat is input voor een gesprek over een groter programmaplan. Vandaag (!) is de lancering. 20 december is deadline voor indiening van de eerste versie van projectaanvragen. De projecten starten op 29 februari 2012. Meer informatie via www.surffoundation.nl/learninganalytics

woensdag 2 november 2011

Leren en ontwikkelen van professionals

Manon Ruijters, adviseur bij Twijnstra & Gudde, en lector in de ecologie van het leren, spreekt op het HvA-congres ‘Doorleren werkt’ (1 november 2011).

Eerste vraag: Wat is een – echte – professional? Er zijn drie dingen over te noemen:
- Het is iemand die in de klei staat met z’n voeten,
- iemand die is aangehaakt bij nieuwe kennis, en
- iemand die bijdraagt aan ontwikkeling van vak en vakgenoten

Tweede vraag: Hoe ziet dit leren eruit en hoe ziet zijn/haar ontwikkeling eruit?
Er zijn drie vormen van leren & ontwikkelen te onderscheiden (Praktiseren (die modder), Onderzoeken, en Creëren. En die drie moeten met elkaar in relatie staan. Dat is het bruggen bouwen: dan neem je even afstand en kom je tot reflectie.

Derde vraag: Wat is de manier van leren van professionals? Een belangrijk onderdeel van deze lezing: de vijf leervoorkeuren van professionals die Ruiijters & Simons onderscheiden (zie ook www.languageoflearning.net):
1. Kunst afkijken. Dat is in essentie goed kijken naar wat werkt en dat zelf toepassen.. Deze professionals zijn name geïnteresseerd in de succesvolle onderdelen: die worden overgenomen. Ze leren het meest als ze onder druk staan. Ze Het is een effectieve vorm voor cultuur overdracht en voor het leren van softskills. Je ziet deze leervoorkeur meer bij mensen naarmate je hoger in de organisatie komt: managers en bestuurders. vinden het praten erover niet prettig. Een klas vol van deze leerders ziet er saai uit: ze kunnen zelfs met een klassesituatie niet zo goed uit de voeten omdat dit te georganiseerd is en omdat er teveel over het leren wordt gepraat: daarvoor zijn ze allergisch. Het trainen is te organiseren door bv een bedrijfsbezoek, of, als er een aanleiding voor is, door een expert een presentatie te laten geven. Ven belang is dat je moet wachten totdat ze met een vraag komen. De vorm moet vooral niet voorgestructureerd worden.
2. Participeren. Hierbij staat het samen-leren centraal, uitwisselen van informatie, het hebben ven een gemeenschappelijk belang, vertrouwen in elkaar, gedeelde sturing. Het is een effectieve strategie om samen te werken, om vanuit meerdere perspectieven te kijken. Het wordt veel ingezet door: verpleging, P&O-mensen, hoogleraren (sparren), bestuurders. Grootste allergie voor deze leerders zijn mensen die zich onttrekken aan groepsproces.
3. Kennis verwerven. Het gaat bij deze professionals om objectieve informatie, die overigens niet per se via boeken wordt ‘geleerd’. Het is een vorm van expliciet en van doelgericht leren. Deze leerders leren graag van experts. Het is een effectieve strategie voor kennisintensieve vraagstukken. Het is een dominante leervoorkeur bij kennisintensieve beroepen zoals bij juristen, accountants, ICT. Deze leerders hebben een hekel aan brainstormen: ze willen eigenlijk eerst weten hoe het in elkaar steekt. De allergie van deze leerders: aannames, onbewezen stellingen.
4. Oefenen. Kenmerken van deze leervoorkeur: iets uit de echte wereld halen, veilig maken, uitproberen, onder begeleiding, herhaling. Deze strategie kom je natuurlijk veel tegen in het onderwijs. Het is een effectieve strategie voor het leren van nieuwe vaardigheden en voor leren leren. Waar deze leerders niet van houden is: in het diepe gooien. Wat je wel moet doen voor deze leerders is structuur aanbrengen.
5. Ontdekken. Kenmerken van deze leervoorkeur: erin springen, beetje eigenwijs, zelfsturend, nieuwsgierig. Eigen draai aan geven, ruimte en inspiratie, de energie volgen. De meeste professionals hebben ‘ontdekken’ als leervoorkeur. Het is een effectieve strategie om creativiteit aan te boren en om vernieuwing te realiseren. Veel gekozen door adviseurs en professionals. Allergie is structuur. Niet doen: kaderen, maar dat is vaak onvermijdelijk als je gezamenlijk tot creativiteit wilt komen.
Deze leervoorkeuren zijn relevant omdat het leren voor 80% op de werkplek geberut. Daarom kun je niet of minder goed uit de voeten met taxonomieën van Vermunt (gericht op schools leren) en Kolb (waarbij denken en doen tegenover elkaar staan)

Je eigen leerprofiel kennen is één ding, je moet ook het profiel van de ander snappen want er is vaak een allergische reactie. Daarbij zijn er nog meer lagen te onderscheiden. Bijvoorbeeld de dominante leervoorkeur van een team of een afdeling, of de leervoorkeur van een organisatie. Deze hangt af van de cultuur en van de wijze waarop het leren wordt georganiseerd. Tenslotte is het hanteren van een effectieve leervoorkeur ook – sterk – afhankelijk van de inhoud: waar vraagt de leerstofinhoud om? Waar sluit dit op aan?

Ruijters staat erop verschil aan te brengen tussen leren en ontwikkeling.
Leren = korte termijn, gaat over toevoegen, beheersen, verbinden. Ontwikkeling = lange termijn, gaat over talenten, eigenschappen, competenties. Ze stelt dat er meer aandacht moet komen voor professionele ontwikkeling. Dat is een samenspel van inhoudelijke en persoonlijke ontwikkeling waarbij jezelf én je omgeving verder komen. Om dit mogelijk te maken moet je bij de leerder zorgen voor autonomie, voldoende competentie en voldoende betrokkenheid.

In de workshop geeft Ruijters een nadere typering van de leervoorkeuren en heeft ze een gesprek met de deelnemers over twee extra leervoorkeuren die haar intrigeren:
- Imaginair leren (gebaseerd op het werk van Guy Claxton: Wise up): in je hoofd scenario’s afspelen en zo leren & ontdekken, inspiratie krijgen. Dit hoort thuis aan de ontwikkelkant van het continuüm leren vs. ontwikkelen .
- Intuïtief leren. Gebaseerd op het werk van Ap Dijksterhuis: Het slimme onbewuste. Serieus nemen van je lijf als bron van informatie. Niet alles van je kennis is onder woorden te brengen: tacit knowledge. Het lijf is de verbinding.

dinsdag 4 oktober 2011

Onderwijs ontwerpen met ICT (.nl)

Op 3 oktober vond in Eindhoven de afsluitende conferentie plaats van het NAP-project March ET waar ik namens de HvA aan meedeed. Dat was een grote happening met een videoconferentie met de makers van het TPACK-model: Matthew Koehler en Punya Mishra van de Michigan State Univerisity. Verder keynotes van Petra Fisser (UT) en Olle ten Cate (UMC), en heel veel enthousiaste deelnemers aan de pilotmodulen. En alles was live te volgen op de nieuwe website: www.onderwijsontwerpenmetict.nl

Een verslag ervan maken is een dag later al niet meer nodig. Ik volsta met een verwijzing naar de Blogposts (meervoud!) van Wilfred Rubens.
- Over de videoconference met Mishra & Koehler: de bedenkers van het TPACK-model
- Over het project en de keynote van Petra Fisser (over TPACK)
- Over de keynote van Olle ten Cate over opschaling van innovaties waar Jakko van der Pol en ikzelf de toepassing en de verwerking deden m.b.t. de rol van professionalisering daarbij
- Over het gebruik van TPACK (Petra Fisser) en de effectmeting zoals dat in het project is gedaan (en de resultaten daarvan

vrijdag 24 juni 2011

eDingen

Afgelopen jaar hebben we op de HvA met veel enthousiasme de 21 eDingen uitgeprobeerd, zie ook de website die we daarbij hebben gebruikt. We hebben wat lessen geleerd m.b.t. organisatie en moderatie van deze cursus. Vanaf volgend cursusjaar is deze blended learning cursus in het trainingsaanbod van de afdeling OrO opgenomen. De lessons learned in het kort:
- definitie van eDingen blocks: een paar eDingen die bij elkaar horen
- 2 weken doorlooptijd per eDing lijkt optimaal te zijn
- een knoppenhulp-spreekuur per eDing is praktisch. Dit kan ook via webcam.
- houd de f2f-meetings in ere: liefst per eDing een bespreking over de toepassing in het onderwijs. Doe dit het liefst o.b.v. de blogposts…. maar het is heel moeilijk om iedereen gedisciplineerd aan het bloggen te krijgen
- begin met een f2f-bijeenkomst (met computers): niemand de deur uit voordat het webblog in de lucht is.
- de zogenaamde newsflashes zijn een goed middel om iedereen bij de ‘les’ te houden.